HULPGIDS.NL

Lithium en de schildklier

 

Fysiologie
De afscheiding van de schildklierhormonen wordt geregeld door verschillende factoren. De belangrijkste factor komt van de hypothalamus, een onderdeel van de hersenen die o.a. het autonome zenuwstelsel en het endocriene systeem controleert. De hypothalamus geeft  het thyreotropine-releasing hormone (TRH) af, dat de afgifte van thyreoïdstimulerend hormoon (TSH) door de hypofyse stimuleert. (De TSH-productie kan overigens worden onderdrukt door dopamine en cortisol.) De aanmaak en afgifte van schildklierhormoon uit de schildklier wordt in gang gezet door het  TSH. In de schildklier worden thyroxine (T4) en trijodothyronine (T3) geproduceerd en opgeslagen tot afgifte. Onder fysio- logische omstandigheden wordt vooral T4 en slechts een kleine hoeveelheid T3 door de schildklier afgegeven aan de circulatie. T4 op zijn beurt remt via een negatief feedbackmechanisme de afgifte van TSH, na lokale omzetting in de hypofyse tot T3. 

 

 

Effect lithium op schildklierfunctie
Het belangrijkste effect is dat de door TSH gestimuleerde afgifte van T4 wordt geremd. Lithium accumuleert in de schildklier en kan de jodiumopname in de schildklier zowel remmen, als ook stimuleren. Tevens kan lithium de ruimtelijke structuur van thyreoglobuline (de voorloper van T3 en T4) beïnvloeden, waardoor het koppelen van jodothyrosinen wordt belemmerd en daarmee de vorming van T4. 

Hypothyreoïdie (te traag werkende schildklier)
Lithium leidt tot een remming van de afgifte van het schildklierhormoon. Het feedbacksysteem geeft een seintje aan de hypofyse dat er te weinig T4 is en de TSH-afgifte stijgt. De hogere TSH-spiegel stimuleert de schildklier en dat leidt weer tot een toename van de T4-afgifte. De TSH-waarde zal hoger dan gebruikelijk blijven totdat het normale T4-niveau weer is bereikt. Dan ontstaat een nieuw evenwicht met een wat hogere TSH dan vóór start met lithium en mogelijk een iets lagere T4. Beide waarden blijven echter doorgaans binnen de referentiewaarden, maar in de eerste drie tot zes maanden kan de TSH voorbijgaand licht verhoogd zijn. Er zijn echter ook patiënten bij wie een verhoogde TSH persisteert of bij wie dit in de loop van de behandeling opnieuw gaat oplopen. Als de T4 nog binnen normaal blijft, maar de TSH boven de referentiewaarde uitkomt, spreken we van een subklinische hypothyreoïdie, bij een verlaagde T4 met verhoogde TSH spreken we van een (klinische) hypothyreoïdie. 

Risciofactoren
Jodiumintake, hogere leeftijd, vrouwelijk geslacht, eerdere behandeling voor hyperthyreoïdie met radioactief jodium of strumectomie, familiaire belasting en het hebben van thyreoperoxidase-antilichamen (tpo-al) tegen schildklierweefsel.

Behandeling
De behandeling van hypothyreoïdie vindt plaats door suppletie met schildklierhormoonpreparaat, levothyroxine (T4). De dosering is afhankelijk van het lichaamsgewicht (1,8 μg/kg). 

Thyreotoxicose
Aandoeningen die gepaard gaan met een overmaat aan schildklierhormoon worden samengevat met de term thyreotoxicose (meestal door een te hard werkende schildklier). Thyreotoxicose ten gevolge van lithium komt zelden voor.

 

Bron: Melick EJM van en Wilting I, Lithium en de schildklier: vaak vertraging, soms versnelling, Psyfar (2009) 3 10-14

 

 

 

 



Deze pagina is het laatste geüpdate op: 22-10-2009